#01990 T-splitsing

Zonder ook maar enige vaart te hoeven minderen, kachelden we onze oostgrens over. Ik had besloten voor enkele minuten mijn zonnebril op te zetten en met mijn vrije rechterhand te zwaaien naar de veertig camera’s boven de weg.

Daar reden we dan. Duitsland, jaren twintig. Interessante tijden. In enkele maanden is me heel het speelveld stukken overzichtelijker geworden en weet ik vrijwel alle gebeurtenissen die meneer Van Oosterhout in de kanonloze geschiedenislessen op het Gymnasium aan ons voorschotelde een duidelijker plekje te geven. Ik zou hem eens op moeten zoeken, als hij nog leeft.

Hij had me ooit een stamboom laten zien en een beetje schuin boven mijn nog zo groene wortels wees hij zichzelf aan. Hij was de leraar die het prima vond als je at en dronk in de klas, zolang je het maar even onder de tafel hield als de rector binnenkwam om te oreren over goed en kwaad.

Boven alle plaatsnamen, allen binnen een kleine straal van die van het stamhoofd, overzag ik een wirwar van namen. Mijn aandacht ging vooral uit naar enkele doodlopende takken. Wat waren dit voor zonderlinge figuren? Konden zij geen wijf krijgen? Waren zij dan nog wel familie?

Een olifant is slechts op aard om een nieuwe olifant te produceren. Doet hij dat niet, wat is hij dan? Een mislukkeling in the race to the bottom? Of het eindproduct waar het al die tijd allemaal om te doen was?

Mijn race to the bottom zou in Berlijn ongetwijfeld vervolgd worden. Maar eerst wachtte mij op een landweggetje nabij Hannover een T-splitsing. Ik verminderde vaart en kwam op het midden van de weg langzaam tot stilstand.

‘Welke kant zullen we op?’ vroeg ik Thijs.

‘De navigatie zegt naar links.’

‘Ja dat zal wel weer.’

‘Kijk naar dat bordje daar. Daar staat toch Berlijn op? Dat bordje wijst naar links.’

Ik liet de koppeling los waardoor de wagen met een schok stilviel, opende het portier, moest even oppassen voor een stoet aan toeterende vrachtwagens die naar links gingen en liep op mijn rode schoentjes, zo in mijn sas van Adidas, richting het bordje.

Op mijn tenen kon ik er net bij. Het mocht een minuutje duren, het was toch vakantie en ik kon wel even wat rekken en strekken gebruiken. Nog diep in de adem ging ik weer naast Thijs zitten.

‘En waar wijst het bordje nu heen?’

‘Naar rechts, Hans.’

‘Dus welke kant zullen we op?’

‘Wacht even, dan kijk ik even op mijn telefoon.’

‘Weet je wat?’

‘Nou?’

‘Eerst eten.’