#01993 Blote Poten

Na Hannover had Thijs de macht over het stuur overgenomen. Er was op zijn rijstijl weinig tot niets aan te merken. Ik heb er zelf nog wel eens een handje van om van tempo te wisselen. Als de weg me iets te smal wordt en het logo op de achterkant van een Bulgaarse vrachtwagen bevalt me wel, dan vind ik het prima om tientallen kilometers met tachtig per uur door te tuffen. Als de radio dan iets later een opzwepend melodietje door de speakers pompt en er mij ineens een onverklaarbaar gevoel van haast bekruipt, dan kan ik zomaar pardoes een hele zware rechtervoet krijgen en erbij gaan gillen.

Thijs rijdt wat vloeiender, steevast 133, zonder gevloek op patserige Mercedessen. Thijs houdt het raampje aan zijn kant steeds gesloten. Ik krijg het nogal snel benauwd en blijf continu zoeken naar de gulden middenweg tussen frisse lucht en weinig ruis.

Ik testte de maximale horizontale positie van de bijrijdersstoel, sloot mijn ogen en liet de zoevende wagens op me inwerken. In elke auto of truck weer een ander verhaal. Allemaal onderweg, ongetwijfeld allemaal in dezelfde opperste staat van verwarring.

Ik dacht dat ik niet echt in slaap gevallen was, maar toen ik mijn ogen weer opende en de stoel en daarmee ook mijn rug met een paar ferme draaien weer wat naar voren had gekanteld, bleken we Berlijn al erg dicht genaderd. Ik vroeg aan Thijs of hij het goed vond om nog een keertje te wisselen.

Ietsje later zag ik na een flauwe bocht naar rechts vanachter het stuur de Fernsehturm opdoemen. Acht jaar geleden begon ik onder haar schaduw elke avond weer aan een nieuwe kroegentocht om wat currywurst op de plank te krijgen. Nu was ik voor het eerst weer terug.

Allerlei herinneringen aan gewetenloze avonturen schoten door me heen, zoals die ene nacht waarin ik ongewild verzeild raakte… TÜÜÜÜÜT! Een BMW toeterde. Ik moest even scherp blijven. Ik deed mijn zonnebril op, we reden de Spree over, ik stak een peukie op en net nadat ik hem het raam uit schoot parkeerden we de Mitsubishi aan de Caroline-Michaelis-Straße, waar Thijs voor de eerste twee nachten een slaapplaats had gereserveerd bij BeachMitte.

Het hokje om in te slapen was misschien niet al te groot, maar verder was het allemaal ideaal en redelijk coronaproof. Naast het kleine terrein met gastenverblijven lagen zo’n dertig beachvolleybalvelden, met allemaal van die beachvolleybaljongens en beachvolleybalmeiden erop met van die beachvolleyballichamen waarmee ze druk bezig waren met beachvolleyballen. Daar weer naast een bar, een tafeltennistafel en tientallen loungebanken, her en der afgewisseld met een palmboompje.

Het was een uurtje of zeven, dus de vuurkorven waren nog niet ontvlamd, maar dat zou zeker nog gebeuren. Thijs haalde nog even zijn koffers uit de auto. Ik trapte mijn schoenen uit, liep naar de rieten bar, kocht twee halve liters Franziskaner en plofte neer op een bankje tegenover een groepje van zeven magere en goed gebruinde dames.

Enkele minuten later kwam Thijs naast me zitten met een vers shirt aan. Ik hief mijn glas.

‘Proost jongen. Dit heb je goed geregeld. Op een mooie vakantie. Dat hebben we godverdomme wel verdiend.’

‘Proost Hansie. Lekker man.’

‘Thijs, de één kan het links hippiegelul vinden, de ander noemt het extreemrechts complotdenken, maar ik geloof gewoon dat het goed is zo nu en dan met blote poten door het park of het rulle zand te lopen. Dan maar het risico op een stuk glas tussen de tenen. Liever af en toe genezen dan altijd maar proberen te voorkomen. Dan kunnen de mensen tenminste nog hun roseetje drinken als het weer even meezit.’

‘Haha, blote poten.’

‘Ja. Ik slaap altijd met een raampje open en als het kan wel twee. Al het eten dat ik per ongeluk laat vallen stop ik doelbewust in mijn mond. Ik masseer mezelf drie keer per dag. Ik zuip, rook, slik, snuif en spuit alsof er geen morgen bestaat, maar ik til wel elke dag weer die kratten de Amsterdamse portieken en trappenhuizen op. Volgens mij ben ik gezonder dan jij.’

‘Fysiek of mentaal?’

‘De hele reutemeteut.’

‘Gast, je bent vel over been.’

‘Hoe ver zit jij van je ideaalgewicht?’

‘Geloof je in sprookjes?’

‘Wanneer het mij uitkomt.’

‘Oké.’

‘Zodra het sprookje verzonnen is bestaat het al. Je kan bijvoorbeeld wel zeggen dat God niet bestaat, maar als driekwart van de wereld daar anders over denkt en ernaar handelt, dan is God bijna overal. Geloof jij dat er een virus is?’

‘Ja natuurlijk is er een virus.’

‘Juist. Als driekwart van de wereld denkt dat er een virus is en ernaar handelt, dan is het virus bijna overal.’

‘Heb je de krant wel eens gelezen de afgelopen maanden?’

‘Ik lees wel eens wat ja. Ik zie dingen.’

‘Nou dan weet je het toch.’

‘Nu ik half verweesd de wereld door moet zoek ik, bewust oder nicht gewusst, naar een plaatsvervangende vader. En het virus wordt hem niet kan ik je zeggen. Mij te streng, iets te weinig vergevingsgezind.’

‘Hè lekker, vakantie.’