#01994 Bang Wezen

We hadden een lange reis achter de rug, dus de eerste avond zouden we rustig aan doen. Na nog een stuk of vier weizener en een frisse douche voor Thijs, stiefelden we op ons gemakje Mitte in, op zoek naar een bord voer. Eenmaal op de lange Chausseestraße viel mij op dat de Berlijnse voetgangers veelal een mondkapje op de kin dragen. Thijs stond plots stil.

‘Shit! Mondkapje vergeten!’ riep hij.

‘Oh ja, ik ook.’

‘Ja dan moeten we terug.’

‘Hoezo? Je kan toch wel iets eten zonder mondkapje?’

‘Weet niet.’

‘Dat merken we snel genoeg. Lijkt mij dat we gewoon op een terras kunnen gaan zitten, of mag dat tegenwoordig ook al niet meer?’

‘Ja maar als we dan naar het toilet moeten?’

‘Ik piste hier altijd gewoon op straat. Dit is Berlijn schat, niet Duitsland.’

‘Oké we kijken wel dan.’

Thijs griste naar zijn telefoon, bleef er naar kijken terwijl we als enigen het rode voetgangerslicht negeerden en sprak als een kind dat voor het eerst een nieuwe kermisattractie ziet:

‘Op tachtig meter zit de Schnitzelei!’

‘Klinkt goed.’

Zeventig meter verder schoten we een klein steegje aan de linkerkant in. We troffen een alleraardigste binnentuin, vol met tafels met jongeren die het op deze vrijdagavond niet al te nauw hielden met de anderhalve meter.

‘Ik ben bang dat er geen plaats is’, zei Thijs.

‘Nee dat denk ik ook niet.’

‘Misschien binnen.’

‘Ik ga niet binnen zitten. Dat is vragen om problemen’, zei ik terwijl ik mijn peuk op de grond gooide.

‘Nou dan gaan we maar.’

‘Wacht even, dan vraag ik het nog even.’

‘Oké.’

‘Guten Abend Herr, gibt es bald noch Platz für zwei?’

‘Nur drinnen.’

‘Danke, aber nein danke. Aerozölen, du weißt doch.

Nee Thijs, deze gozer zegt dat ze vol zitten.’

‘Ah jammer, maar we gaan hier sowieso nog eten! Dan reserveer ik wel van tevoren.’

‘Prima. Zullen we nu dan toch maar gaan eten bij dat terrasje iets terug met die rood-wit geblokte lakentjes en dat lekkere blonde serveerstertje?’

‘Prima.’

Zo gezegd, zo gedaan. Schnitzel was er bij dit Italiaanse restaurant niet te krijgen, dus Thijs bestelde een pasta bolognese bij zijn grote pils.

‘Für mich die pasta carbonara bitte, und ein großer Franziskaner.’

Ik bemerkte dat ik tegenwoordig blijkbaar ook in het Duits met de rollende r sprak die ik in Spanje had aangeleerd. In de ogen van de leuke kelnerin dacht ik te kunnen zien dat er onder haar mondkapje een lieve lach verborgen zat.

De pasta was heerlijk, we hoefden ondertussen allebei niet te pissen. Na een schnaps met citroensmaak, een goed bedoelde fooi en nog een iets minder zure maar zeker niet minder sterke schnaps van het huis, keerden we terug naar ons verblijf. Het was van de weeromstuit al pikkedonker, maar gelukkig kan men in Berlijn op ieder denkbaar uur voor een flesje water en een vers pak peuken nog bij de spätkauf terecht.

Inmiddels was ons wel duidelijk geworden welke regel hier gold: overal binnen mondkapje op. Desondanks wilde ik het proberen, dus ik liep naar de openstaande deur van de laatste kiosk die we zouden passeren.

‘Guten Abend, kann ich hier schnell ein bisschen Wasser kaufen ohne Mundnaseschutz?’

De Turkse verkoper keek op van zijn kleine tv: ‘Jawohl, aber wenn Polizei, du bezahlen!’

Ik keek om me heen en achtte de kans heel klein dat er binnen de geringe tijd die ik nodig zou hebben voor mijn aankopen een inval zou plaatsvinden. En mocht ik toch gesnapt worden, dan kon ik altijd nog een paar namen laten vallen en even uitleggen wat ik tijdens de vorige crisis allemaal voor de stad betekend had.

Ik griste zo snel mogelijk een anderhalveliterfles water uit de schappen, maar begon toch even te twijfelen toen ik langs de goed gevulde ijskast met allerhande halveliters bier liep. De Sternburg was in al die jaren slechts twintig centen duurder geworden dan de halve euro die ik er altijd voor neerlegde als ik ging indrinken voor mijn werk. De Paulaners zagen er ook zeer appetijtelijk uit.

Naast me kwam plots een jongen staan. Ik schatte hem zo achterin de twintig. Hij hield zich wel aan de voorschriften en griste voor mijn neus de laatste vier koude Berliners weg. Onze ogen kruisten elkaar terwijl hij langs me richting kassa liep. Onbewust deinsde ik achteruit, bang door deze gemaskerde man besmet te raken. Hier was iets ernstigs aan de gang, hier moest je bang wezen.

Ik pakte nog snel twee Sternburg, rekende alles contactloos af en gooide eenmaal weer buiten één van de twee bierflessen naar Thijs. Hij wist hem niet te vangen, maar in zijn val wel een keer of drie een tikkie te geven waardoor de vaart voldoende geminderd was om scherven te voorkomen.

‘Dat ging maar net goed’, zei Thijs opgelucht.

‘Ja inderdaad. Ik werd gewoon bang man!’