#01995 Over de Muur

Voor het eerst in ruim zeven magere jaren ontwaakte ik weer in Berlijn. Thijs lag nog op zo’n halve meter van me vandaan te snurken, dus besloot ik maar niet de hand aan mezelf te slaan en op te staan.

Na twee verkwikkende Kaffee mit vier Zucker bij de bar zag ik Thijs aan komen lopen, gedoucht en al, klaar voor de eerste hele dag van onze vakantie. We zouden wel eens even gaan kijken of er hier nog wat te doen was.

‘Heb je je mondkapje bij?’ vroeg Thijs.

‘Bij je.’

‘Wat?’

‘Heb je hem bij je.’

‘Ja ik heb hem bij, maar jij ook?’

‘Nee, dat bedoel ik niet. Je miste een je. En net nog een me ook’

‘Wat lul je nou man?’

‘Je mag best jij zeggen hoor.’

‘Ik heb hier geen zin in. Heb je hem nou mee of niet?’

‘Nee, maar rustig maar, ik pak hem nog wel even’, antwoordde ik, in de wetenschap dat ik er op deze dag waarschijnlijk toch echt aan moest gaan geloven.

We marcheerden andermaal over de Chausseestraße en besloten deze keer niet te stoppen voordat deze na een lichte knik in de Friedrichstraße overging. Ik had dan wel bijna een jaar in deze stad gewoond, maar ik begon pas echt weer dingen te herkennen toen we de Spree hadden overgestoken en binnen de kortste keren onder de linden liepen.

Ik was hier al tientallen keren eerder geweest, doch nimmer had ik deze laan zo rustig gezien. In de verte zagen we de Brandenburger Tor al staan, dus wij erop af. Toen we steeds dichterbij kwamen begon het langzaamaan drukker te worden. Het kostte desalniettemin weinig moeite om van iedereen gepaste afstand te bewaren. Ik hoorde wat rumoer van boven, keek omhoog en zag een enorme zwerm kraaien over ons heen vliegen.

‘Alleen de vogels’, fluisterde ik zacht.

‘Wat zei je?’

‘Niks. Of ja, kun je even een foto van me maken? Da’s leuk voor later.’

Thijs knikte en klikte. Ik vroeg of hij wilde dat ik ook een foto van hem nam, maar dat was niet nodig. Ik vond het hem sieren dat hij het in tegenstelling tot de toeristen om ons heen wel besefte: later is al lang begonnen.

Tevreden met het resultaat deed ik mijn telefoon weer in het zijvakje van mijn korte broek met van die zakken aan de zijkant. We passeerden enkele Chinezen die blijkbaar wel héél erg veel lef hadden en liepen onder de poort door. Even dacht ik dat we werden teruggefloten, maar het was een geheel in het wit gestoken man met haar tot aan zijn enkels die almaar op een oranje fluitje aan het blazen was. Met zijn rechterhand hield hij een bordje omhoog met de tekst: Jesus is alive.

Ik spreidde mijn armen, draaide me om naar Thijs en riep:

‘Welkom in het Vrije Westen! Waar Hugoshenko en Mark nog steeds op een voetstuk staan!’

‘Rustig maar Hans.’

‘Nou wat zullen we doen? Even happie eten lekker? Kijk, daar is een plekkie vrij op dat terras. Met uitzicht op de Brandenburger Tor én op die Rijksdag daaro. Lekker toch, kan ons het schelen. Jij hebt ook nog niet ontbeten toch? Nou hop, dan bestellen we hier toch gewoon zo’n currywurst. En even een eerste weizener om het mee weg te spoelen. Kan toch! Wie houdt ons tegen? Ja toch, niet dan?’

‘Is goed Hans.’

‘Ach heerlijk man, mij hoor je niet klagen!’