#01997 Tegen de Klok in

Het bleef lang stil. Thijs had zijn bord al een tijdje leeg en keek verveeld om zich heen. Ik had slechts een paar happen genomen, doch de eetlust was mij alweer ontgaan. Ik stak dus maar een peuk op en nam een flinke teug van mijn bier.

‘Heb je lekker gegeten?’ vroeg Thijs op licht sarcastische toon.

‘Ik kan mij zo één twee drie niet herinneren ooit zo’n lekkere currywurst te hebben gehad.’

‘Serieus?’

‘Was maar een geintje. Ik heb ze wel eens lekkerder gehad.’

Een ober kwam na een goedkeurend knikje mijnerzijds langs om de borden op te halen. Ik vroeg meteen om de rekening. De ober schoof zijn mondkapje weer over zijn neus, nam onze borden uit en liep naar binnen. Ik goot de helft van de helft van het bier dat ik nog over had in mijn glas omdat ik pas de helft op had van mijn glas van mijn glas in het glas van Thijs en dronk de helft van mijn glas leeg. Een klein slokkie bleef over.

‘Ik zal eens kijken of we al een bericht hebben’, zei Thijs nadat hij gead had.

‘Van wie?’

‘Onze huisgenoot.’

‘Hoezo?’

‘Over die uitslag natuurlijk.’

‘Oh ja, dat was ik alweer bijna vergeten. Wat wil je doen als hij positief is?’

‘Mmm weet niet.’

‘Ik weet alleen dat ik nu op vakantie ben en dat wou ik graag even zo houden.’

‘Ja ik heb ook weinig zin om nu al terug te gaan eigenlijk.’

‘Het lijkt mij een beetje inefficiënt om vandaag alweer dat hele eind terug te rijden om dan de rest van onze vakantie in huis met een coronapatiëntje door te brengen. Maar goed, ik begrijp wel meer niet.’

‘Hij heeft nog niks gestuurd.’

‘Nou dan hebben we dat ook weer gehad. Kom, laten we even een rondje om dat ding heen lopen’, wees ik naar de Rijksdag.

‘We moeten nog betalen.’

‘Oh ja.’

De ober kwam terug met de rekening. Thijs betaalde, terwijl ik mijn glas in twee slokken leegdronk. De ober wenste ons nog een schone dag en ging een tafel verder kijken.

Alsof toeval niet bestond stonden we tegelijk op. Eenmaal weer onder de parasol vandaan merkte ik wat een gloeiendhete dag het eigenlijk was. Het kwik oversteeg overduidelijk de dertig graden, er was geen vuiltje aan de lucht. Desondanks was er op het kleine stukje tussen de Brandenburger Tor en de Rijksdag haast geen kip te bekennen. We besloten om langs de achterkant om het parlementsgebouw heen te lopen. Tegen de klok in.

Het eerste hoekie om troffen we een trap naar beneden, maar deze was met linten afgezet. Op meerdere borden viel te lezen dat er voorlopig geen rondleidingen werden gegeven. Voor de veiligheid.

Iets verderop zagen we acht ME-busjes met tientallen agenten ervoor, allen met een wapenstok aan de riem, door hun helmen turend naar de voorzijde van het gebouw.

‘Volgens mij is er iets te doen’, zei Thijs.

‘Dat zou wel eens tijd worden.’