#01999 Das war Einmal

We hadden nog de hele middag voor ons om door de stad te lopen. Thijs had een route bedacht die ons als vanzelf langs alle bekende blikvangers van Berlijn zou leiden. Ik zou wel volgen.

Al vrij snel liepen we tegen het holocaustmonument aan. Ik overhandigde Thijs mijn telefoon en vroeg of hij een foto van me wilde nemen, met alle grijze blokken van beton op de achtergrond. Hij knikte en klikte. Ik draaide me rap om en sprintte mezelf een weg tussen de grote blokken door. Links, rechts, vaart maken, tweede links, derde rechts, even stoppen, links, rechts.

Ik had gedacht mezelf zo even te kunnen verstoppen. Iets dat je niet gauw vergeet, een leuk verhaal voor later. Dat ze aan Thijs zouden vragen hoe de vakantie was geweest en dat hij dan zou antwoorden: ‘Ja op zich wel leuk, maar ik heb nog wel vier uur lang naar Hans moeten zoeken in het holocaustmonument.’

Ik merkte echter al snel dat alle blokken in rechte rijen waren neergezet. Zelfs tussen de kolommen die twee keer zo hoog waren als ik, was het onmogelijk om helemaal uit het zicht te geraken. Enigszins uitgeput bleef ik dus maar even stilstaan op één van de tientallen kruispunten ergens in het midden.

‘Oh Hans, daar ben je’, hoorde ik slechts vijftien seconden later vanaf de zijkant. Ik liep in een rechte lijn het gangetje door en nam mijn telefoon weer aan.

‘Vluchten kan niet meer’, mompelde ik.

‘Wist je dat elk van deze blokken staat voor een aantal gedeporteerde joden?’ vroeg Thijs.

‘Ik heb ze niet geteld.’

‘Nee echt, dat lees ik hier.’

‘Het lijkt erop dat ze gewoon het pleintje vol hebben gekwakt.’

‘Het zijn er 2710, maar het hadden er eigenlijk 2711 moeten zijn.’

‘Zo weinig maar? Dan hebben ze er wel heel veel films over gemaakt, niet?’

‘Betonblokken Hans.’

‘Ah op die fiets.’

‘In totaal waren het zes miljoen joden.’

‘Tsja, hadden ze maar mee moeten doen.’

Thijs schoot even in de lach. Ik merkte dat hij er zelf van schrok en bij zichzelf te rade ging waarom hij het eigenlijk grappig vond. Ik begon te twijfelen of ik eigenlijk wel wilde dat erom gelachen werd.

We liepen door en passeerden de Potsdamer Platz en Checkpoint Charlie. Daar merkte ik al dat er vrijwel geen toeristen in de stad waren, maar eenmaal onderweg naar de Berliner Dom begon de immense stilte pas echt op te vallen. Ik kon niet anders dan concluderen:

Berlin ist mein Berlin nicht mehr. Das war einmal. Berlin schläft.

Het was een zonnige zaterdag halverwege augustus en alle straten waren totaal verlaten. Geen toeristen, geen bewoners, niks ertussenin, niks erbuiten, gewoon niks. Deze ooit zo bruisende stad had zich overduidelijk al overgeleverd aan de angst. Hier waren de rijen gesloten. Hier stonden alle neuzen reeds dezelfde kant op en dienden zij met een langere maar een pasje naar achteren te doen om niet op te vallen. Er mocht niets meer gebeuren. Het was uitgespeeld. Het was slechts nog wachten op de dag die je wist dat zou komen.

Op het Alexanderplein waren nog een paar mensen te bekennen, wanhopig op zoek naar iets dat niet meer mocht zijn. Een klein groepje Chineesachtigen vroeg, unaniem met mondkapje, aandacht voor de situatie in Hongkong. Normaliter ben ik nog wel geïnteresseerd in dit soort zaken, maar het kon me allemaal geen flikker meer schelen. Als wij niet naar China komen, dan komt China wel naar ons toe.

We liepen naar de fontein. Ik keek naar het kleine trappetje aan de zijkant, waarop ik ruim zeven magere jaren geleden voor elke kroegentocht nog even een Sternburg leegdronk om in de stemming te komen. Destijds keek ik steevast uit op een bontgekleurde mix van toeristen, burgers, handelaars, skaters, kunstenaars, hangjongeren, zwervers en een gozer op een eenwieler. Nu waren ze er geen van allen meer.

Ik haalde zo diep mogelijk in door mijn neus om tenminste nog de geur van toen te kunnen ruiken en zo wat herinneringen op te kunnen halen aan die verwarrend spannende episode uit mijn leven, maar ook dat mocht niet baten. De man met het kleine rekje met braadworsten voor zijn borst zat blijkbaar ook thuis, betere tijden af te wachten.

Ik stelde Thijs voor om de route te volgen die ik van hieruit altijd rond acht uur liep, om net een paar minuten te laat bij mijn werk aan te komen. Zo passeerden we de Fernsehturm, die tijdelijk gesloten was, en hoefden we alleen nog maar met de flauwe bocht mee de Dircksenstraße te volgen.

Tegen de muur waar de S-Bahn overheen dendert kon je altijd je ogen uitkijken. Minstens honderd keren moet ik er langs zijn gelopen. Minstens honderd keren zag ik weer iets nieuws dat me kon prikkelen.

De diverse uitingen van kunst waren nog niet allemaal verloren gegaan. Toch bekroop mij ook hier weer het gevoel dat de ziel reeds was vervlogen. Waar de affiches om cultuur en vermaak aan te kondigen ooit nog met zo’n rap tempo over elkaar heen werden geplakt dat je op de stoep haast niet meer naast elkaar kon lopen, waren er nu zelfs hele delen van de muur onbenut. Een verkleurde poster die nog niet helemaal was afgebladderd kondigde een expositie van niet alledaagse hedendaagse kunst aan op één april.

De straat liep bijna op zijn einde. Ik hield mijn hoofd een beetje naar rechts om al een eerste glimp van de Hackescher Markt op te vangen.