#02000 Ons Dorp

Het was raar om na al die tijd weer terug te zijn. Precies op deze plek op de Hackescher Markt stond ik avond aan avond achter een paar kratten bier een foldertje omhoog te houden. Het werk bestond er verder uit om eens in de zoveel tijd ‘PUBCRAWL! PUBCRAWL! KNEIPENTOUR!’ te roepen en de jongeren die zich daardoor hadden laten overtuigen een geopend biertje te geven. Zij hoefden de rest van de avond alleen maar mij te volgen van kroeg naar kroeg en de schnaps die ik tussendoor uitdeelde in één teug leeg te drinken. Het was een gekke tijd, maar je wist niet beter.

Helaas is het nu ook een gekke tijd, maar denk ik het wel steeds beter te weten.

Het plein was nog steeds bezaaid met terrassen en er stonden nog steeds een paar kraampjes waar je T-shirts kon kopen met van die kekke logo’s met woordspelingen erop. Het was er echter wederom erg rustig.

We hadden al een hele middag gewandeld, dus het werd even tijd om de voetjes wat rust te geven en de mond te spoelen. Op het terras onder de parasols van Weihenstephaner heette een ober in lederhosen ons welkom. We konden twee cola bestellen, als we maar even het papiertje in zouden vullen.

Thijs schreef zijn naam en nummer op, schoof het papiertje naar mij toe en gaf me de pen aan. Ik stond al bijna op het punt om mezelf weer Huub van den Biggelaer te noemen en na de nul en zes acht cijfers uit mijn duim te zuigen, tot ik me realiseerde dat ik helemaal niet in Nederland was en hierdoor dus helemaal geen vermoeiende discussie hoefde aan te gaan:

Hugo de Jonge: 4846743656

‘Ik lag me kapot als straks blijkt dat ’t ‘m vooral in die pennen zit’, zei ik terwijl ik het stukje administratie naar de zijkant van de tafel schoof.

De ober raapte de überbureaucratie op en zette een groot glas cola en een groot glas cola zero op tafel.

‘Welke is nou van mij?’ vroeg Thijs.

‘Maakt het wat uit dan?’

‘Ja, ik had een zero.’

‘Ze zijn allebei zwart.’

‘Ja maar ik wil geen gewone.’

‘Proef even dan.’

‘Ik proef het verschil niet. Jij wel?’

Ik dronk in één teug een glas half leeg en sprak: ‘Deze is van mij.’

‘Oké, goed zo.’

Thijs genoot van zijn dorstlesser en pakte zijn telefoon erbij. Ik keek een beetje om me heen en kuchte twee keer in mijn elleboog.

‘Thijs, wat vind jij?’

‘Wat nou weer?’

‘Mag ik er trots op zijn dat ik in Breda geboren ben?’

‘Ja natuurlijk.’

‘Mag ik er trots op zijn dat ik Brabander ben?’

‘Lijkt me wel.’

‘Mag ik er trots op zijn dat ik uit Nederland kom?’

‘Ik denk het.’

‘Mag ik er trots op zijn dat ik Europeaan ben?’

‘Euhm, weet niet.’

‘En mag ik er trots op zijn dat ik blank ben?’

‘Bek dicht Hans.’

‘Maar ik vraag alleen maar…’

‘JE MOET JE BEK HOUDEN HANS!’

‘Oké, sorry hoor.’

‘Trouwens, jij bent toch helemaal niet trots op ons land? Je loopt het alleen maar af te zeiken man.’

‘Omdat ik er zo veel om geef Thijs. En omdat ik nou eenmaal een Nederlander ben. Als Nederlander in Nederland klaag je over Nederland, zoals een Italiaan in Italië klaagt over Italië en de Fransman in Frankrijk Frankrijk afzeikt, maar dan in het Frans waarschijnlijk.

In al mijn jaren in het buitenland heb ik echter altijd vol lof over ons land gesproken. In Berlijn heb ik alleen maar verkondigd dat wij Nederlanders ons niks van regels aantrekken, omdat wij wél zelf blijven nadenken. In Milaan heb ik vol trots onze Meesters en Van Gogh uit de doeken gedaan. In de Ardèche ging iedereen sparen voor een reisje naar Amsterdam nadat ik verteld had dat je er op straat met een joint in je bek een hoer kon uitkiezen. Alle Brazilianen die ik op de stranden zag ballen heb ik kennis laten maken met de ruit op het middenveld. In Lissabon weet elke nicht nu dat wij de eersten waren die twee mensen van hetzelfde geslacht met elkaar lieten trouwen. In de sloppenwijken van Patong Patong heb ik ze met handen en voeten ons euthanasiebeleid uitgelegd. Er is geen Catalaan meer die er niet van op de hoogte is dat Nederland verantwoordelijk is voor elke goede beat.

Weten zij veel dat dat Nederland al lang niet meer bestaat. Dat wij nu net zo volgzaam zijn als de Duitsers, dat wij kunst even voor onbepaalde tijd hebben geparkeerd, dat onze hoofdstad geregeerd wordt door een hele bange vrouw, dat wij tegenwoordig altijd met een extra controleur spelen, dat homo’s niet meer hand in hand durven lopen, dat niemand meer dood mag gaan totdat er een vaccin is. Dat de enige beat die nog wel eens dropt de hartslag van Daley Blind is.

De Nederlanders in deze eeuw hebben eigenlijk geen regels meer nodig, want ze corrigeren elkaar wel. Ze kijken na de kassa nog op het bonnetje en zijn dan blij als ze zien dat er iets niet klopt. Als ik weer eens wat kratten uit de wagen loop te hijsen, denken ze mij er op te moeten wijzen dat ik op de stoep geparkeerd sta. Ze zijn niet boos en ze hoeven ook niet per se over dat stukje stoep, maar ze zeggen het gewoon even.

Ik rijd dus al bijna een half jaar door alle straten van Noord-Holland en ik denk dat de gemiddelde afstand tussen twee drempels op dit moment zo’n dertig meter is. Bij de ingang van het dorp ligt altijd de hoogste, dan moet je echt op je rem. Dat is nou Nederlandse gastvrijheid:

Welkom in ons dorp! Als dank voor je komst helpen we gelijk je hele vloer naar de kloten.

Ze moeten vooral zo doorgaan. Ik vraag me af of ze doorhebben dat ik er vanzelf weer vol gas overheen kan als er straks overal drempels liggen.’